Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
check
The dentist checks the patient’s dentition.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
drink
The cows drink water from the river.
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
kick
Be careful, the horse can kick!
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
fire
The boss has fired him.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
reply
She always replies first.
openen
De kluis kan worden geopend met de geheime code.
open
The safe can be opened with the secret code.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
translate
He can translate between six languages.
voltooien
Kun je de puzzel voltooien?
complete
Can you complete the puzzle?
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
chat
Students should not chat during class.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
surpass
Whales surpass all animals in weight.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
pull up
The taxis have pulled up at the stop.