Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
take part
He is taking part in the race.
samenwerken
We werken samen als een team.
work together
We work together as a team.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
give
The father wants to give his son some extra money.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
send
This company sends goods all over the world.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bring
The messenger brings a package.
wassen
De moeder wast haar kind.
wash
The mother washes her child.
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
run over
Unfortunately, many animals are still run over by cars.
plukken
Ze plukte een appel.
pick
She picked an apple.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
work out
It didn’t work out this time.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
answer
The student answers the question.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
cover
The child covers its ears.