Woordenlijst
Leer werkwoorden – Hausa
wuta
Wutar zata wuta ƙasar ban da daji.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
ɗanna
Yana ɗanna bututuka.
drukken
Hij drukt op de knop.
tsalle
Yaron ya tsalle da farin ciki.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
zane
Na zane hoto mai kyau maki!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
shiga
Jirgin ruwa yana shigowa cikin marina.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
haɗa
Mu ke haɗa zuma muna kansu.
produceren
We produceren onze eigen honing.
rataya
Ayitsi suna rataya daga sabon rijiya.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
fita
Ta fita daga motar.
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
zuba
Ya zuba kwal da cikin kwangila.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
juya
Ta juya naman.
draaien
Ze draait het vlees.
bar
Ba za ka iya barin murfin!
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!