Woordenlijst
Leer bijwoorden – Noors
ut
Det syke barnet får ikke gå ut.
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
ganske
Hun er ganske slank.
behoorlijk
Ze is behoorlijk slank.
inn
Går han inn eller ut?
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
hele dagen
Moren må jobbe hele dagen.
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
om morgenen
Jeg må stå opp tidlig om morgenen.
‘s morgens
Ik moet vroeg opstaan ‘s morgens.
før
Hun var fetere før enn nå.
voor
Ze was voorheen dikker dan nu.
for eksempel
Hvordan liker du denne fargen, for eksempel?
bijvoorbeeld
Hoe vind je deze kleur, bijvoorbeeld?
alene
Jeg nyter kvelden helt alene.
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
om natten
Månen skinner om natten.
‘s nachts
De maan schijnt ‘s nachts.
nede
Han ligger nede på gulvet.
beneden
Hij ligt beneden op de vloer.
bort
Han bærer byttet bort.
weg
Hij draagt de prooi weg.