Woordenlijst
Leer bijwoorden – Noors
ut
Han vil gjerne komme ut av fengselet.
uit
Hij zou graag uit de gevangenis willen komen.
nettopp
Hun våknet nettopp.
net
Ze is net wakker geworden.
på det
Han klatrer opp på taket og sitter på det.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
nede
Han ligger nede på gulvet.
beneden
Hij ligt beneden op de vloer.
kanskje
Hun vil kanskje bo i et annet land.
misschien
Ze wil misschien in een ander land wonen.
nesten
Jeg traff nesten!
bijna
Ik raakte bijna!
om morgenen
Jeg har mye stress på jobben om morgenen.
‘s ochtends
‘s Ochtends heb ik veel stress op het werk.
halv
Glasset er halvt tomt.
half
Het glas is half leeg.
nesten
Det er nesten midnatt.
bijna
Het is bijna middernacht.
inn
De to kommer inn.
in
De twee komen binnen.
et sted
En kanin har gjemt seg et sted.
ergens
Een konijn heeft zich ergens verstopt.