Woordenlijst
Leer bijwoorden – Spaans
ayer
Llovió mucho ayer.
gisteren
Het regende hard gisteren.
en él
Él sube al techo y se sienta en él.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
allí
El objetivo está allí.
daar
Het doel is daar.
suficiente
Ella quiere dormir y ha tenido suficiente del ruido.
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
todos
Aquí puedes ver todas las banderas del mundo.
alle
Hier kun je alle vlaggen van de wereld zien.
en la noche
La luna brilla en la noche.
‘s nachts
De maan schijnt ‘s nachts.
izquierda
A la izquierda, puedes ver un barco.
links
Aan de linkerkant zie je een schip.
juntos
Aprendemos juntos en un grupo pequeño.
samen
We leren samen in een kleine groep.
antes
Ella estaba más gorda antes que ahora.
voor
Ze was voorheen dikker dan nu.
ahora
¿Debo llamarlo ahora?
nu
Moet ik hem nu bellen?
lejos
Se lleva la presa lejos.
weg
Hij draagt de prooi weg.