Woordenlijst
Leer bijwoorden – Engels (UK)
there
Go there, then ask again.
daar
Ga daarheen, vraag dan opnieuw.
in the morning
I have to get up early in the morning.
‘s morgens
Ik moet vroeg opstaan ‘s morgens.
down
She jumps down into the water.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
on it
He climbs onto the roof and sits on it.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
into
They jump into the water.
in
Ze springen in het water.
together
We learn together in a small group.
samen
We leren samen in een kleine groep.
half
The glass is half empty.
half
Het glas is half leeg.
also
Her girlfriend is also drunk.
ook
Haar vriendin is ook dronken.
in
The two are coming in.
in
De twee komen binnen.
too much
He has always worked too much.
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
at least
The hairdresser did not cost much at least.
minstens
De kapper kostte minstens niet veel.