Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/91147324.webp
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
récompenser
Il a été récompensé par une médaille.
cms/verbs-webp/121870340.webp
rennen
De atleet rent.
courir
L’athlète court.
cms/verbs-webp/110233879.webp
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
créer
Il a créé un modèle pour la maison.
cms/verbs-webp/93792533.webp
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
signifier
Que signifie ce blason sur le sol?
cms/verbs-webp/33688289.webp
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
laisser entrer
On ne devrait jamais laisser entrer des inconnus.
cms/verbs-webp/119269664.webp
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
réussir
Les étudiants ont réussi l’examen.
cms/verbs-webp/95938550.webp
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
emporter
Nous avons emporté un sapin de Noël.
cms/verbs-webp/80332176.webp
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
souligner
Il a souligné sa déclaration.
cms/verbs-webp/104820474.webp
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
sonner
Sa voix sonne fantastique.
cms/verbs-webp/59066378.webp
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
faire attention à
On doit faire attention aux signaux routiers.
cms/verbs-webp/118826642.webp
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
expliquer
Grand-père explique le monde à son petit-fils.
cms/verbs-webp/10206394.webp
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
supporter
Elle peut à peine supporter la douleur!