Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
overnachten
We overnachten in de auto.
passer la nuit
Nous passons la nuit dans la voiture.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
se lever
Elle ne peut plus se lever seule.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
installer
Ma fille veut installer son appartement.
haten
De twee jongens haten elkaar.
détester
Les deux garçons se détestent.
kopen
Ze willen een huis kopen.
acheter
Ils veulent acheter une maison.
meerijden
Mag ik met je meerijden?
accompagner
Puis-je vous accompagner?
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
comprendre
J’ai enfin compris la tâche !
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
emporter
Nous avons emporté un sapin de Noël.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
rater
Elle a raté un rendez-vous important.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
connecter
Ce pont connecte deux quartiers.
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
créer
Qui a créé la Terre ?