Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/120870752.webp
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
retirer
Comment va-t-il retirer ce gros poisson?
cms/verbs-webp/123367774.webp
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
trier
J’ai encore beaucoup de papiers à trier.
cms/verbs-webp/54608740.webp
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
arracher
Les mauvaises herbes doivent être arrachées.
cms/verbs-webp/49374196.webp
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
licencier
Mon patron m’a licencié.
cms/verbs-webp/89084239.webp
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
réduire
Je dois absolument réduire mes frais de chauffage.
cms/verbs-webp/122398994.webp
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
tuer
Soyez prudent, vous pouvez tuer quelqu’un avec cette hache!
cms/verbs-webp/90321809.webp
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
dépenser
Nous devons dépenser beaucoup d’argent pour les réparations.
cms/verbs-webp/107299405.webp
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
demander
Il lui demande pardon.
cms/verbs-webp/9435922.webp
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
approcher
Les escargots se rapprochent l’un de l’autre.
cms/verbs-webp/115520617.webp
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
renverser
Un cycliste a été renversé par une voiture.
cms/verbs-webp/106682030.webp
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
retrouver
Je n’ai pas pu retrouver mon passeport après le déménagement.
cms/verbs-webp/62069581.webp
sturen
Ik stuur je een brief.
envoyer
Je t’envoie une lettre.