Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
retirer
Comment va-t-il retirer ce gros poisson?
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
trier
J’ai encore beaucoup de papiers à trier.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
arracher
Les mauvaises herbes doivent être arrachées.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
licencier
Mon patron m’a licencié.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
réduire
Je dois absolument réduire mes frais de chauffage.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
tuer
Soyez prudent, vous pouvez tuer quelqu’un avec cette hache!
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
dépenser
Nous devons dépenser beaucoup d’argent pour les réparations.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
demander
Il lui demande pardon.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
approcher
Les escargots se rapprochent l’un de l’autre.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
renverser
Un cycliste a été renversé par une voiture.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
retrouver
Je n’ai pas pu retrouver mon passeport après le déménagement.