Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
répondre
Elle a répondu par une question.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
redoubler
L’étudiant a redoublé une année.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
préférer
Beaucoup d’enfants préfèrent les bonbons aux choses saines.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
réduire
Je dois absolument réduire mes frais de chauffage.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
renouveler
Le peintre veut renouveler la couleur du mur.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
envoyer
Les marchandises me seront envoyées dans un paquet.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
faire attention à
On doit faire attention aux signaux routiers.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
annuler
Le vol est annulé.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
voir clairement
Je vois tout clairement avec mes nouvelles lunettes.
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
passer avant
La santé passe toujours avant tout !
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
connaître
Elle connaît presque par cœur de nombreux livres.