Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/129945570.webp
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
répondre
Elle a répondu par une question.
cms/verbs-webp/57481685.webp
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
redoubler
L’étudiant a redoublé une année.
cms/verbs-webp/47802599.webp
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
préférer
Beaucoup d’enfants préfèrent les bonbons aux choses saines.
cms/verbs-webp/89084239.webp
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
réduire
Je dois absolument réduire mes frais de chauffage.
cms/verbs-webp/128644230.webp
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
renouveler
Le peintre veut renouveler la couleur du mur.
cms/verbs-webp/65840237.webp
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
envoyer
Les marchandises me seront envoyées dans un paquet.
cms/verbs-webp/59066378.webp
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
faire attention à
On doit faire attention aux signaux routiers.
cms/verbs-webp/63351650.webp
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
annuler
Le vol est annulé.
cms/verbs-webp/115153768.webp
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
voir clairement
Je vois tout clairement avec mes nouvelles lunettes.
cms/verbs-webp/124046652.webp
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
passer avant
La santé passe toujours avant tout !
cms/verbs-webp/120452848.webp
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
connaître
Elle connaît presque par cœur de nombreux livres.
cms/verbs-webp/106997420.webp
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
laisser intact
La nature a été laissée intacte.