Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
tellen
Ze telt de munten.
compter
Elle compte les pièces.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
se lever
Elle ne peut plus se lever seule.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
aimer
L’enfant aime le nouveau jouet.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
arracher
Les mauvaises herbes doivent être arrachées.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
rendre
Le professeur rend les dissertations aux étudiants.
sturen
Hij stuurt een brief.
envoyer
Il envoie une lettre.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
renverser
Un cycliste a été renversé par une voiture.
verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
enlever
Comment peut-on enlever une tache de vin rouge?
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
représenter
Les avocats représentent leurs clients au tribunal.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
réveiller
Le réveil la réveille à 10h.
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
fournir
Des chaises longues sont fournies pour les vacanciers.