Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
tax
Companies are taxed in various ways.
oefenen
De vrouw beoefent yoga.
practice
The woman practices yoga.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
receive
He received a raise from his boss.
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
let go
You must not let go of the grip!
wachten
Ze wacht op de bus.
wait
She is waiting for the bus.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
find again
I couldn’t find my passport after moving.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
prefer
Many children prefer candy to healthy things.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
fire
My boss has fired me.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
mix
Various ingredients need to be mixed.
overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!
get along
End your fight and finally get along!
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
start running
The athlete is about to start running.