Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
turn off
She turns off the electricity.
publiceren
Reclame wordt vaak in kranten gepubliceerd.
publish
Advertising is often published in newspapers.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
exercise restraint
I can’t spend too much money; I have to exercise restraint.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
leave speechless
The surprise leaves her speechless.
draaien
Ze draait het vlees.
turn
She turns the meat.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
mix
You can mix a healthy salad with vegetables.
denken
Wie denk je dat sterker is?
think
Who do you think is stronger?
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
receive
He receives a good pension in old age.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
strengthen
Gymnastics strengthens the muscles.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
destroy
The tornado destroys many houses.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
give birth
She will give birth soon.