Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
move in together
The two are planning to move in together soon.
doden
Ik zal de vlieg doden!
kill
I will kill the fly!
bereiden
Ze bereidt een taart.
prepare
She is preparing a cake.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
reduce
I definitely need to reduce my heating costs.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
pursue
The cowboy pursues the horses.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
import
We import fruit from many countries.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
send off
This package will be sent off soon.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
rent out
He is renting out his house.
beperken
Moet handel worden beperkt?
restrict
Should trade be restricted?
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
call back
Please call me back tomorrow.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
ring
The bell rings every day.