Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
rustle
The leaves rustle under my feet.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
cause
Sugar causes many diseases.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
mix
The painter mixes the colors.
werken
Ze werkt beter dan een man.
work
She works better than a man.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
feel
The mother feels a lot of love for her child.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
pass
The students passed the exam.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
pay attention to
One must pay attention to traffic signs.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
mix
She mixes a fruit juice.
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
paint
I’ve painted a beautiful picture for you!
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
do for
They want to do something for their health.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
accept
Some people don’t want to accept the truth.