Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
divide
They divide the housework among themselves.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
get upset
She gets upset because he always snores.
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
vote
The voters are voting on their future today.
worden
Ze zijn een goed team geworden.
become
They have become a good team.
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.
generate
We generate electricity with wind and sunlight.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
waste
Energy should not be wasted.
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
get through
The water was too high; the truck couldn’t get through.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
let in front
Nobody wants to let him go ahead at the supermarket checkout.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
get a sick note
He has to get a sick note from the doctor.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
have at disposal
Children only have pocket money at their disposal.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
damage
Two cars were damaged in the accident.