Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
kopen
Ze willen een huis kopen.
buy
They want to buy a house.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
go out
The kids finally want to go outside.
missen
Ik zal je zo erg missen!
miss
I will miss you so much!
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
burn
The meat must not burn on the grill.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
cover
The water lilies cover the water.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
sit
Many people are sitting in the room.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
hit
She hits the ball over the net.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
confirm
She could confirm the good news to her husband.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
turn off
She turns off the alarm clock.
vertrekken
De trein vertrekt.
depart
The train departs.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
reward
He was rewarded with a medal.