Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
hire
The applicant was hired.
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
quit
I want to quit smoking starting now!
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
see clearly
I can see everything clearly through my new glasses.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
thank
He thanked her with flowers.
verhuizen
De buurman verhuist.
move out
The neighbor is moving out.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bring
The messenger brings a package.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
call
She can only call during her lunch break.
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
update
Nowadays, you have to constantly update your knowledge.
dragen
De ezel draagt een zware last.
carry
The donkey carries a heavy load.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
happen
Something bad has happened.
genieten
Ze geniet van het leven.
enjoy
She enjoys life.