Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
hang down
Icicles hang down from the roof.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
exhibit
Modern art is exhibited here.
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
leave open
Whoever leaves the windows open invites burglars!
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
let through
Should refugees be let through at the borders?
kussen
Hij kust de baby.
kiss
He kisses the baby.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
follow
My dog follows me when I jog.
straffen
Ze strafte haar dochter.
punish
She punished her daughter.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
start
School is just starting for the kids.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
lie
He often lies when he wants to sell something.
moeten
Hij moet hier uitstappen.
must
He must get off here.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
add
She adds some milk to the coffee.