Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
ville gå ud
Barnet vil gerne ud.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
give væk
Hun giver sit hjerte væk.
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
udforske
Mennesker vil udforske Mars.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
blande
Maleren blander farverne.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
kaste til
De kaster bolden til hinanden.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
køre tilbage
Moderen kører datteren hjem igen.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
begynde
Et nyt liv begynder med ægteskabet.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
vige pladsen
Mange gamle huse skal vige pladsen for de nye.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
overlade til
Ejerne overlader deres hunde til mig for en tur.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
føle
Hun føler babyen i hendes mave.
trekken
Hij trekt de slee.
trække
Han trækker slæden.