Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/71612101.webp
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
gå ind
Metroen er lige gået ind på stationen.
cms/verbs-webp/120900153.webp
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
gå ud
Børnene vil endelig gå udenfor.
cms/verbs-webp/27564235.webp
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
arbejde på
Han skal arbejde på alle disse filer.
cms/verbs-webp/57574620.webp
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
levere
Vores datter leverer aviser i ferien.
cms/verbs-webp/43532627.webp
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
bo
De bor i en delelejlighed.
cms/verbs-webp/125400489.webp
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
forlade
Turisterne forlader stranden ved middagstid.
cms/verbs-webp/81973029.webp
initiëren
Ze zullen hun scheiding initiëren.
iværksætte
De vil iværksætte deres skilsmisse.
cms/verbs-webp/107407348.webp
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
rejse rundt
Jeg har rejst meget rundt i verden.
cms/verbs-webp/109766229.webp
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
føle
Han føler sig ofte alene.
cms/verbs-webp/101765009.webp
begeleiden
De hond begeleidt hen.
ledsage
Hunden ledsager dem.
cms/verbs-webp/123834435.webp
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
tage tilbage
Apparatet er defekt; forhandleren skal tage det tilbage.
cms/verbs-webp/102631405.webp
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
glemme
Hun vil ikke glemme fortiden.