Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/132030267.webp
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
forbruge
Hun forbruger et stykke kage.
cms/verbs-webp/130288167.webp
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
rengøre
Hun rengør køkkenet.
cms/verbs-webp/127720613.webp
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
savne
Han savner sin kæreste meget.
cms/verbs-webp/102238862.webp
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
besøge
En gammel ven besøger hende.
cms/verbs-webp/72855015.webp
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
modtage
Hun modtog en meget flot gave.
cms/verbs-webp/25599797.webp
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
spare
Du sparer penge, når du sænker rumtemperaturen.
cms/verbs-webp/109071401.webp
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
omfavne
Moderen omfavner babyens små fødder.
cms/verbs-webp/73488967.webp
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
undersøge
Blodprøver undersøges i dette laboratorium.
cms/verbs-webp/124274060.webp
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
efterlade
Hun efterlod mig en skive pizza.
cms/verbs-webp/122479015.webp
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
skære
Stoffet skæres til i størrelse.
cms/verbs-webp/130938054.webp
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
dække
Barnet dækker sig selv.
cms/verbs-webp/92612369.webp
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
parkere
Cyklerne er parkeret foran huset.