Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
annuleren
Het contract is geannuleerd.
annullere
Kontrakten er blevet annulleret.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
efterlade
De efterlod ved et uheld deres barn på stationen.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
beslutte
Hun kan ikke beslutte, hvilke sko hun skal have på.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
stole på
Vi stoler alle på hinanden.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
kæmpe
Atleterne kæmper mod hinanden.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
chatte
De chatter med hinanden.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
vente
Vi skal stadig vente en måned.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
beskytte
En hjelm skal beskytte mod ulykker.
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
tilbyde
Strandstole stilles til rådighed for feriegæsterne.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
glæde sig
Børn glæder sig altid til sne.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
flytte sammen
De to planlægger at flytte sammen snart.