Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/50772718.webp
annuleren
Het contract is geannuleerd.
annullere
Kontrakten er blevet annulleret.
cms/verbs-webp/71991676.webp
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
efterlade
De efterlod ved et uheld deres barn på stationen.
cms/verbs-webp/113418367.webp
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
beslutte
Hun kan ikke beslutte, hvilke sko hun skal have på.
cms/verbs-webp/125116470.webp
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
stole på
Vi stoler alle på hinanden.
cms/verbs-webp/81025050.webp
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
kæmpe
Atleterne kæmper mod hinanden.
cms/verbs-webp/115113805.webp
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
chatte
De chatter med hinanden.
cms/verbs-webp/94909729.webp
wachten
We moeten nog een maand wachten.
vente
Vi skal stadig vente en måned.
cms/verbs-webp/123844560.webp
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
beskytte
En hjelm skal beskytte mod ulykker.
cms/verbs-webp/19351700.webp
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
tilbyde
Strandstole stilles til rådighed for feriegæsterne.
cms/verbs-webp/75508285.webp
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
glæde sig
Børn glæder sig altid til sne.
cms/verbs-webp/67095816.webp
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
flytte sammen
De to planlægger at flytte sammen snart.
cms/verbs-webp/61162540.webp
activeren
De rook activeerde het alarm.
udløse
Røgen udløste alarmen.