Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/100585293.webp
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
vende rundt
Du skal vende bilen her.
cms/verbs-webp/111892658.webp
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
levere
Han leverer pizzaer til hjem.
cms/verbs-webp/125402133.webp
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
røre
Han rørte hende ømt.
cms/verbs-webp/128644230.webp
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
forny
Maleren vil forny vægfarven.
cms/verbs-webp/99455547.webp
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
acceptere
Nogle mennesker vil ikke acceptere sandheden.
cms/verbs-webp/96668495.webp
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
trykke
Bøger og aviser bliver trykt.
cms/verbs-webp/115113805.webp
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
chatte
De chatter med hinanden.
cms/verbs-webp/111615154.webp
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
køre tilbage
Moderen kører datteren hjem igen.
cms/verbs-webp/129203514.webp
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
chatte
Han chatter ofte med sin nabo.
cms/verbs-webp/89869215.webp
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
sparke
De kan lide at sparke, men kun i bordfodbold.
cms/verbs-webp/65840237.webp
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
sende
Varerne bliver sendt til mig i en pakke.
cms/verbs-webp/8451970.webp
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
diskutere
Kollegerne diskuterer problemet.