Ordforråd

Lær verb – Dutch

cms/verbs-webp/12991232.webp
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
takke
Eg takker deg mykje for det!
cms/verbs-webp/100634207.webp
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
forklare
Ho forklarer han korleis apparatet fungerer.
cms/verbs-webp/97119641.webp
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
male
Bilen blir malt blå.
cms/verbs-webp/109099922.webp
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
minne om
Datamaskina minner meg om avtalane mine.
cms/verbs-webp/32312845.webp
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
ekskludere
Gruppa ekskluderer han.
cms/verbs-webp/112407953.webp
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
lytte
Ho lyttar og høyrer ein lyd.
cms/verbs-webp/102167684.webp
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
samanlikna
Dei samanliknar tala sine.
cms/verbs-webp/111892658.webp
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
levere
Han leverer pizza til heimar.
cms/verbs-webp/122707548.webp
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
stå
Fjellklatraren står på toppen.
cms/verbs-webp/47225563.webp
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
tenke med
Du må tenke med i kortspel.
cms/verbs-webp/72855015.webp
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
motta
Ho mottok ei veldig fin gåve.
cms/verbs-webp/106665920.webp
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
føle
Mor føler mykje kjærleik for barnet sitt.