Ordforråd
Lær verb – Dutch
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
konsumere
Ho konsumerer eit stykke kake.
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
melde
Ho melder skandalen til venninna si.
kussen
Hij kust de baby.
kysse
Han kysser babyen.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
unngå
Han må unngå nøtter.
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
fjerne
Gravemaskina fjernar jorda.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
styrke
Gymnastikk styrker musklane.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
avlyse
Flygningen er avlyst.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
rasle
Blada raslar under føtene mine.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
blande
Ho blandar ein fruktjuice.