Ordforråd
Lær adjektiver – Dutch
zwak
de zwakke zieke
svak
den svake sjuke
geweldig
het geweldige uitzicht
fantastisk
det fantastiske synet
zeldzaam
een zeldzame panda
sjeldan
ein sjeldan panda
dom
de domme jongen
dum
den dumme guten
stiekem
het stiekeme snoepen
hemmeleg
den hemmelege småspisinga
kapot
de kapotte autoruit
ødelagt
den ødelagte bilruta
alcoholistisch
de alcoholverslaafde man
alkoholavhengig
den alkoholavhengige mannen
schuldbeladen
het schuldbeladen individu
gjelda
den gjelda personen
gescheiden
het gescheiden koppel
skilt
det skilte paret
voorste
de voorste rij
fremre
den fremre raden
smal
de smalle hangbrug
smal
den smale hengebrua