Ordforråd

Lær verb – Dutch

cms/verbs-webp/33688289.webp
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
sleppe inn
Ein bør aldri sleppe inn framande.
cms/verbs-webp/111063120.webp
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
bli kjent med
Framande hundar vil bli kjente med kvarandre.
cms/verbs-webp/77572541.webp
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
fjerne
Handverkaren fjerna dei gamle flisene.
cms/verbs-webp/43483158.webp
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
reise med tog
Eg vil reise dit med tog.
cms/verbs-webp/113415844.webp
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
forlate
Mange engelskmenn ville forlate EU.
cms/verbs-webp/100011930.webp
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.
fortelje
Ho fortel ho ein hemmelegheit.
cms/verbs-webp/121264910.webp
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
skjere opp
For salaten må du skjere opp agurken.
cms/verbs-webp/73751556.webp
bidden
Hij bidt in stilte.
be
Han ber stille.
cms/verbs-webp/61806771.webp
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bringe
Budbæraren bringer ein pakke.
cms/verbs-webp/91930542.webp
stoppen
De agente stopt de auto.
stoppe
Politikvinnen stoppar bilen.
cms/verbs-webp/103910355.webp
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
sitje
Mange folk sit i rommet.
cms/verbs-webp/66441956.webp
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
skrive ned
Du må skrive ned passordet!