Ordforråd
Lær verb – Dutch
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
brenne
Han brende ein fyrstikk.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
kjempe
Brannvesenet kjemper mot brannen frå lufta.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
venje seg til
Barn treng å venje seg til å pusse tennene.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
symje
Ho sym regelmessig.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
rope
Gutten ropar så høgt han kan.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
slå
Foreldre bør ikkje slå barna sine.
geloven
Veel mensen geloven in God.
tru
Mange folk trur på Gud.
voltooien
Kun je de puzzel voltooien?
fullføra
Kan du fullføre puslespelet?
voeden
De kinderen voeden het paard.
mate
Ungane mater hesten.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
stå
Fjellklatraren står på toppen.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
brenne ned
Elden vil brenne ned mykje av skogen.