Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
versturen
Ze wil de brief nu versturen.
draaien
Ze draait het vlees.
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
gaan
Waar is het meer dat hier was heengegaan?