Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
tellen
Ze telt de munten.
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.