Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
aanzetten
Zet de TV aan!
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!