Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
trouwen
Het stel is net getrouwd.
se marier
Le couple vient de se marier.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
surprendre
Elle a surpris ses parents avec un cadeau.
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
retirer
Comment va-t-il retirer ce gros poisson?
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
faire faillite
L’entreprise fera probablement faillite bientôt.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
dépenser
Elle a dépensé tout son argent.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
utiliser
Elle utilise des produits cosmétiques tous les jours.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
pousser
La voiture s’est arrêtée et a dû être poussée.
drukken
Hij drukt op de knop.
appuyer
Il appuie sur le bouton.
drinken
Ze drinkt thee.
boire
Elle boit du thé.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
jouer
L’enfant préfère jouer seul.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
embaucher
L’entreprise veut embaucher plus de personnes.