Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
turn around
You have to turn the car around here.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
send
The goods will be sent to me in a package.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
move
My nephew is moving.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
pay attention
One must pay attention to the road signs.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
go back
He can’t go back alone.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
pass
Time sometimes passes slowly.
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
delight
The goal delights the German soccer fans.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
sit
Many people are sitting in the room.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
move in together
The two are planning to move in together soon.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
check
He checks who lives there.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
serve
The chef is serving us himself today.