Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
springen
Hij sprong in het water.
jump
He jumped into the water.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
feel
She feels the baby in her belly.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
carry
They carry their children on their backs.
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
come first
Health always comes first!
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
explain
Grandpa explains the world to his grandson.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
know
She knows many books almost by heart.
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
represent
Lawyers represent their clients in court.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
prefer
Many children prefer candy to healthy things.
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
run
She runs every morning on the beach.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
drive around
The cars drive around in a circle.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
listen to
The children like to listen to her stories.