Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/63935931.webp
draaien
Ze draait het vlees.
wenden
Sie wendet das Fleisch.
cms/verbs-webp/45022787.webp
doden
Ik zal de vlieg doden!
totschlagen
Ich werde die Fliege totschlagen!
cms/verbs-webp/109542274.webp
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
durchlassen
Soll man Flüchtlinge an den Grenzen durchlassen?
cms/verbs-webp/107852800.webp
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
schauen
Sie schaut durch ein Fernglas.
cms/verbs-webp/102238862.webp
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
besuchen
Ein alter Freund besucht sie.
cms/verbs-webp/89635850.webp
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
wählen
Sie griff zum Telefon und wählte die Nummer.
cms/verbs-webp/99769691.webp
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
vorbeifahren
Der Zug fährt vor uns vorbei.
cms/verbs-webp/110347738.webp
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
erfreuen
Das Tor erfreut die deutschen Fußballfans.
cms/verbs-webp/68841225.webp
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
verstehen
Ich kann dich nicht verstehen!
cms/verbs-webp/120624757.webp
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
spazieren
Er geht gern im Wald spazieren.
cms/verbs-webp/75001292.webp
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
losfahren
Als die Ampel umsprang, fuhren die Autos los.
cms/verbs-webp/127554899.webp
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
bevorzugen
Unsere Tochter liest keine Bücher, sie bevorzugt ihr Handy.