Wortschatz
Lernen Sie Verben – Niederländisch
draaien
Ze draait het vlees.
wenden
Sie wendet das Fleisch.
doden
Ik zal de vlieg doden!
totschlagen
Ich werde die Fliege totschlagen!
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
durchlassen
Soll man Flüchtlinge an den Grenzen durchlassen?
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
schauen
Sie schaut durch ein Fernglas.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
besuchen
Ein alter Freund besucht sie.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
wählen
Sie griff zum Telefon und wählte die Nummer.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
vorbeifahren
Der Zug fährt vor uns vorbei.
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
erfreuen
Das Tor erfreut die deutschen Fußballfans.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
verstehen
Ich kann dich nicht verstehen!
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
spazieren
Er geht gern im Wald spazieren.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
losfahren
Als die Ampel umsprang, fuhren die Autos los.