Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/79317407.webp
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
befehlen
Er befiehlt seinem Hund etwas.
cms/verbs-webp/32312845.webp
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
ausschließen
Die Gruppe schließt ihn aus.
cms/verbs-webp/44518719.webp
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
begehen
Diesen Weg darf man nicht begehen.
cms/verbs-webp/123203853.webp
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
verursachen
Alkohol kann Kopfschmerzen verursachen.
cms/verbs-webp/114379513.webp
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
bedecken
Die Seerosen bedecken das Wasser.
cms/verbs-webp/107508765.webp
aanzetten
Zet de TV aan!
einschalten
Schalte den Fernseher ein!
cms/verbs-webp/3270640.webp
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
verfolgen
Der Cowboy verfolgt die Pferde.
cms/verbs-webp/33688289.webp
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
hereinlassen
Fremde sollte man niemals hereinlassen.
cms/verbs-webp/103797145.webp
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
einstellen
Die Firma will mehr Leute einstellen.
cms/verbs-webp/101890902.webp
produceren
We produceren onze eigen honing.
herstellen
Wir stellen unseren Honig selbst her.
cms/verbs-webp/117890903.webp
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
antworten
Sie antwortet immer als Erste.
cms/verbs-webp/1502512.webp
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
lesen
Ohne Brille kann ich nicht lesen.