Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/32180347.webp
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
auseinandernehmen
Unser Sohn nimmt alles auseinander!
cms/verbs-webp/122394605.webp
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
wechseln
Der Automechaniker wechselt die Reifen.
cms/verbs-webp/57248153.webp
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
erwähnen
Der Chef hat erwähnt, dass er ihn feuern wird.
cms/verbs-webp/116358232.webp
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
vorfallen
Etwas Schlimmes ist vorgefallen.
cms/verbs-webp/114272921.webp
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
treiben
Die Cowboys treiben das Vieh mit Pferden.
cms/verbs-webp/91906251.webp
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
rufen
Der Junge ruft so laut er kann.
cms/verbs-webp/80325151.webp
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
vollenden
Sie haben die schwierige Aufgabe vollendet.
cms/verbs-webp/129403875.webp
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
erklingen
Die Glocke erklingt jeden Tag.
cms/verbs-webp/61806771.webp
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bringen
Der Bote bringt ein Paket.
cms/verbs-webp/78973375.webp
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
krankschreiben
Er muss sich vom Arzt krankschreiben lassen.
cms/verbs-webp/121102980.webp
meerijden
Mag ik met je meerijden?
mitfahren
Darf ich bei dir mitfahren?
cms/verbs-webp/105681554.webp
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
hervorrufen
Zucker ruft viele Krankheiten hervor.