Wortschatz
Lernen Sie Verben – Niederländisch
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
auseinandernehmen
Unser Sohn nimmt alles auseinander!
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
wechseln
Der Automechaniker wechselt die Reifen.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
erwähnen
Der Chef hat erwähnt, dass er ihn feuern wird.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
vorfallen
Etwas Schlimmes ist vorgefallen.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
treiben
Die Cowboys treiben das Vieh mit Pferden.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
rufen
Der Junge ruft so laut er kann.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
vollenden
Sie haben die schwierige Aufgabe vollendet.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
erklingen
Die Glocke erklingt jeden Tag.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bringen
Der Bote bringt ein Paket.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
krankschreiben
Er muss sich vom Arzt krankschreiben lassen.
meerijden
Mag ik met je meerijden?
mitfahren
Darf ich bei dir mitfahren?