Ordforråd
Lær verb – Dutch
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
diskutere
Kollegaene diskuterer problemet.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
skrive til
Han skreiv til meg forrige veke.
willen
Hij wil te veel!
ville ha
Han vil ha for mykje!
rennen
De atleet rent.
springe
Idrettsutøvaren spring.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
lyge
Av og til må ein lyge i ein nødssituasjon.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
dra ut
Ugras treng å drast ut.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
køyre heim
Etter shopping, køyrer dei to heim.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
føde
Ho kjem til å føde snart.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
male
Han malar veggen kvit.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
gå heim
Han går heim etter arbeid.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
lytte
Han liker å lytte til magen til den gravide kona si.