Ordforråd
Lær verb – Dutch
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
sende
Denne bedrifta sender varer over heile verda.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parkere
Bilane er parkerte i underjordisk garasje.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
slå av
Ho slår av vekkeklokka.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
male
Bilen blir malt blå.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
tillate
Ein bør ikkje tillate depresjon.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
rasle
Blada raslar under føtene mine.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
snu
Du må snu bilen her.
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
elske
Ho elskar katten sin veldig mykje.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
lese
Eg kan ikkje lese utan briller.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
teste
Bilen blir testa i verkstaden.
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
tilby
Kva tilbyr du meg for fisken min?