Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/117953809.webp
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
supporter
Elle ne supporte pas le chant.
cms/verbs-webp/109542274.webp
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
laisser passer
Devrait-on laisser passer les réfugiés aux frontières?
cms/verbs-webp/66441956.webp
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
écrire
Vous devez écrire le mot de passe!
cms/verbs-webp/116519780.webp
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
sortir
Elle sort avec les nouvelles chaussures.
cms/verbs-webp/83661912.webp
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
préparer
Ils préparent un délicieux repas.
cms/verbs-webp/90292577.webp
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
passer
L’eau était trop haute; le camion n’a pas pu passer.
cms/verbs-webp/84472893.webp
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
faire du vélo
Les enfants aiment faire du vélo ou de la trottinette.
cms/verbs-webp/107407348.webp
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
voyager
J’ai beaucoup voyagé à travers le monde.
cms/verbs-webp/89025699.webp
dragen
De ezel draagt een zware last.
porter
L’âne porte une lourde charge.
cms/verbs-webp/70864457.webp
brengen
De bezorger brengt het eten.
apporter
Le livreur apporte la nourriture.
cms/verbs-webp/33599908.webp
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
servir
Les chiens aiment servir leurs maîtres.
cms/verbs-webp/102397678.webp
publiceren
Reclame wordt vaak in kranten gepubliceerd.
publier
La publicité est souvent publiée dans les journaux.