Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
supporter
Elle ne supporte pas le chant.
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
laisser passer
Devrait-on laisser passer les réfugiés aux frontières?
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
écrire
Vous devez écrire le mot de passe!
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
sortir
Elle sort avec les nouvelles chaussures.
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
préparer
Ils préparent un délicieux repas.
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
passer
L’eau était trop haute; le camion n’a pas pu passer.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
faire du vélo
Les enfants aiment faire du vélo ou de la trottinette.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
voyager
J’ai beaucoup voyagé à travers le monde.
dragen
De ezel draagt een zware last.
porter
L’âne porte une lourde charge.
brengen
De bezorger brengt het eten.
apporter
Le livreur apporte la nourriture.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
servir
Les chiens aiment servir leurs maîtres.