Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
découvrir
Les marins ont découvert une nouvelle terre.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
annuler
Il a malheureusement annulé la réunion.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
licencier
Mon patron m’a licencié.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
s’infecter
Elle s’est infectée avec un virus.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
expliquer
Elle lui explique comment l’appareil fonctionne.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
réduire
Je dois absolument réduire mes frais de chauffage.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
embaucher
Le candidat a été embauché.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
accepter
Certaines personnes ne veulent pas accepter la vérité.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
gérer
On doit gérer les problèmes.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
brûler
La viande ne doit pas brûler sur le grill.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
emménager ensemble
Les deux prévoient d’emménager ensemble bientôt.