Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/62175833.webp
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
découvrir
Les marins ont découvert une nouvelle terre.
cms/verbs-webp/102447745.webp
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
annuler
Il a malheureusement annulé la réunion.
cms/verbs-webp/49374196.webp
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
licencier
Mon patron m’a licencié.
cms/verbs-webp/113885861.webp
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
s’infecter
Elle s’est infectée avec un virus.
cms/verbs-webp/100634207.webp
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
expliquer
Elle lui explique comment l’appareil fonctionne.
cms/verbs-webp/89084239.webp
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
réduire
Je dois absolument réduire mes frais de chauffage.
cms/verbs-webp/100649547.webp
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
embaucher
Le candidat a été embauché.
cms/verbs-webp/99455547.webp
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
accepter
Certaines personnes ne veulent pas accepter la vérité.
cms/verbs-webp/102169451.webp
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
gérer
On doit gérer les problèmes.
cms/verbs-webp/114052356.webp
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
brûler
La viande ne doit pas brûler sur le grill.
cms/verbs-webp/67095816.webp
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
emménager ensemble
Les deux prévoient d’emménager ensemble bientôt.
cms/verbs-webp/113136810.webp
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
expédier
Ce colis sera expédié prochainement.