Vocabulario

Aprender verbos – neerlandés

cms/verbs-webp/100434930.webp
eindigen
De route eindigt hier.
terminar
La ruta termina aquí.
cms/verbs-webp/99769691.webp
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
pasar
El tren nos está pasando.
cms/verbs-webp/121870340.webp
rennen
De atleet rent.
correr
El atleta corre.
cms/verbs-webp/102049516.webp
verlaten
De man vertrekt.
salir
El hombre sale.
cms/verbs-webp/85860114.webp
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
avanzar
No puedes avanzar más en este punto.
cms/verbs-webp/120259827.webp
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
criticar
El jefe critica al empleado.
cms/verbs-webp/38296612.webp
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
existir
Los dinosaurios ya no existen hoy en día.
cms/verbs-webp/71260439.webp
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
escribir a
Me escribió la semana pasada.
cms/verbs-webp/124545057.webp
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
escuchar
A los niños les gusta escuchar sus historias.
cms/verbs-webp/34979195.webp
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
juntarse
Es bonito cuando dos personas se juntan.
cms/verbs-webp/111892658.webp
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
entregar
Él entrega pizzas a domicilio.
cms/verbs-webp/41918279.webp
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
huir
Nuestro hijo quería huir de casa.