Vocabulario
Aprender verbos – neerlandés
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
fortalecer
La gimnasia fortalece los músculos.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
decidir
No puede decidir qué zapatos ponerse.
kussen
Hij kust de baby.
besar
Él besa al bebé.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
deber
Se debería beber mucha agua.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
casar
A los menores no se les permite casarse.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
conectar
Este puente conecta dos barrios.
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
significar
¿Qué significa este escudo de armas en el suelo?
controleren
Hij controleert wie daar woont.
verificar
Él verifica quién vive allí.
drinken
Ze drinkt thee.
beber
Ella bebe té.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
discutir
Los colegas discuten el problema.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
limpiar
El trabajador está limpiando la ventana.