Vocabulario
Aprender verbos – neerlandés
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
dejar
Hoy muchos tienen que dejar sus coches parados.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
extrañar
Él extraña mucho a su novia.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
mirar
Ella mira a través de binoculares.
eindigen
De route eindigt hier.
terminar
La ruta termina aquí.
voeden
De kinderen voeden het paard.
alimentar
Los niños alimentan al caballo.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
aumentar
La empresa ha aumentado sus ingresos.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
repetir
El estudiante ha repetido un año.
sturen
Hij stuurt een brief.
enviar
Está enviando una carta.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
atrever
Se atrevieron a saltar del avión.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
ordenar
Todavía tengo muchos papeles que ordenar.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
ver
Puedo ver todo claramente a través de mis nuevas gafas.