Vocabulary
Learn Adverbs – Dutch
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
down
She jumps down into the water.
ergens
Een konijn heeft zich ergens verstopt.
somewhere
A rabbit has hidden somewhere.
altijd
Je kunt ons altijd bellen.
anytime
You can call us anytime.
nu
Moet ik hem nu bellen?
now
Should I call him now?
een beetje
Ik wil een beetje meer.
a little
I want a little more.
nergens
Deze sporen leiden naar nergens.
nowhere
These tracks lead to nowhere.
alle
Hier kun je alle vlaggen van de wereld zien.
all
Here you can see all flags of the world.
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
all day
The mother has to work all day.
buiten
We eten vandaag buiten.
outside
We are eating outside today.
behoorlijk
Ze is behoorlijk slank.
quite
She is quite slim.
waarom
Kinderen willen weten waarom alles is zoals het is.
why
Children want to know why everything is as it is.