Vocabulary
Learn Adverbs – Dutch
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
down
She jumps down into the water.
al
Hij slaapt al.
already
He is already asleep.
een beetje
Ik wil een beetje meer.
a little
I want a little more.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
down
He falls down from above.
in
Ze springen in het water.
into
They jump into the water.
voor
Ze was voorheen dikker dan nu.
before
She was fatter before than now.
samen
We leren samen in een kleine groep.
together
We learn together in a small group.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
on it
He climbs onto the roof and sits on it.
opnieuw
Ze ontmoetten elkaar opnieuw.
again
They met again.
niet
Ik hou niet van de cactus.
not
I do not like the cactus.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
but
The house is small but romantic.