Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/119235815.webp
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
liebhaben
Sie hat ihr Pferd sehr lieb.
cms/verbs-webp/86996301.webp
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
einstehen
Die beiden Freundinnen wollen immer für einander einstehen.
cms/verbs-webp/119613462.webp
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
erwarten
Meine Schwester erwartet ein Kind.
cms/verbs-webp/118026524.webp
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
empfangen
Ich kann ein sehr schnelles Internet empfangen.
cms/verbs-webp/127720613.webp
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
vermissen
Er vermisst seine Freundin sehr.
cms/verbs-webp/113253386.webp
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
klappen
Dieses Mal hat es nicht geklappt.
cms/verbs-webp/118003321.webp
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
besichtigen
Sie besichtigt Paris.
cms/verbs-webp/102167684.webp
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
vergleichen
Sie vergleichen ihre Figur.
cms/verbs-webp/101158501.webp
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
sich bedanken
Er hat sich bei ihr mit Blumen bedankt.
cms/verbs-webp/90539620.webp
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
vergehen
Die Zeit vergeht manchmal langsam.
cms/verbs-webp/89084239.webp
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
reduzieren
Ich muss unbedingt meine Heizkosten reduzieren.
cms/verbs-webp/112755134.webp
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
telefonieren
Sie kann nur in der Mittagspause telefonieren.