Wortschatz
Lernen Sie Verben – Niederländisch
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
liebhaben
Sie hat ihr Pferd sehr lieb.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
einstehen
Die beiden Freundinnen wollen immer für einander einstehen.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
erwarten
Meine Schwester erwartet ein Kind.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
empfangen
Ich kann ein sehr schnelles Internet empfangen.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
vermissen
Er vermisst seine Freundin sehr.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
klappen
Dieses Mal hat es nicht geklappt.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
besichtigen
Sie besichtigt Paris.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
vergleichen
Sie vergleichen ihre Figur.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
sich bedanken
Er hat sich bei ihr mit Blumen bedankt.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
vergehen
Die Zeit vergeht manchmal langsam.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
reduzieren
Ich muss unbedingt meine Heizkosten reduzieren.