Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/107508765.webp
aanzetten
Zet de TV aan!
einschalten
Schalte den Fernseher ein!
cms/verbs-webp/123367774.webp
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
ordnen
Ich muss noch viele Papiere ordnen.
cms/verbs-webp/99169546.webp
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
blicken
Alle blicken auf ihr Handy.
cms/verbs-webp/91367368.webp
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
spazieren gehen
Sonntags geht die Familie zusammen spazieren.
cms/verbs-webp/34979195.webp
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
sich zusammenfinden
Es ist schön, wenn sich zwei zusammenfinden.
cms/verbs-webp/118549726.webp
controleren
De tandarts controleert de tanden.
kontrollieren
Die Zahnärztin kontrolliert die Zähne.
cms/verbs-webp/100434930.webp
eindigen
De route eindigt hier.
enden
Hier endet die Strecke.
cms/verbs-webp/90773403.webp
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
folgen
Mein Hund folgt mir, wenn ich jogge.
cms/verbs-webp/92145325.webp
kijken
Ze kijkt door een gat.
gucken
Sie guckt durch ein Loch.
cms/verbs-webp/123492574.webp
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
trainieren
Professionelle Sportler müssen jeden Tag trainieren.
cms/verbs-webp/89635850.webp
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
wählen
Sie griff zum Telefon und wählte die Nummer.
cms/verbs-webp/62788402.webp
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
befürworten
Deine Idee befürworten wir gern.