Wortschatz
Lernen Sie Verben – Niederländisch
aanzetten
Zet de TV aan!
einschalten
Schalte den Fernseher ein!
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
ordnen
Ich muss noch viele Papiere ordnen.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
blicken
Alle blicken auf ihr Handy.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
spazieren gehen
Sonntags geht die Familie zusammen spazieren.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
sich zusammenfinden
Es ist schön, wenn sich zwei zusammenfinden.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
kontrollieren
Die Zahnärztin kontrolliert die Zähne.
eindigen
De route eindigt hier.
enden
Hier endet die Strecke.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
folgen
Mein Hund folgt mir, wenn ich jogge.
kijken
Ze kijkt door een gat.
gucken
Sie guckt durch ein Loch.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
trainieren
Professionelle Sportler müssen jeden Tag trainieren.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
wählen
Sie griff zum Telefon und wählte die Nummer.